Ik ben van ná de oorlog. Althans, van ná de Tweede Wereldoorlog. De laatste oorlog die ons land letterlijk aan den lijve heeft moeten ervaren. De oorlog die ik vooral ken van de stoere verhalen en mijn geschiedenislessen. Verhalen van mijn vader die in Tilburg is opgegroeid en al in oktober 1944 werd bevrijd door de geallieerde troepen en de Nederlandse Prinses Irene Brigade. Een bekend en ook berucht legeronderdeel dat voortkwam uit Nederlandse troepen die in mei 1940 naar Engeland konden ontkomen en verder bestond uit Engelandvaarders en Nederlanders uit het buitenland die bij de brigade hun dienstplicht vervulden of zich vrijwillig bij de brigade meldden. Later zijn de mannen van de PIB ook betrokken geweest bij de bevrijding van Den Haag. Mijn geboortestad, de plek waar mijn oma haar herinneringen over de oorlog en de hongerwinter van 1945 met mij deelde tijdens de lange wandelingen door de Scheveningse duinen en langs de bunkers die deel uitmaakten van de Atlantikwall. Voor mij had de Tweede Oorlog toen nog iets romantisch. Ervaringen van mijn vader over het moedige én ook onverantwoorde gedrag van mijn opa in Tilburg, als vader van een jong gezin, om Joodse onderduikers te verstoppen. Het jatten van Duitse kolen op het rangeerterrein van de spoorwegen en een politiecommandant, die lid was van de NSB, en te vaak kwam koffiedrinken bij mijn oma om meer te weten te kunnen komen over het Tilburgse Verzet. Uiteindelijk moest mijn grootvader wel zelf onderduiken bij zijn zusters in Amsterdam, maar bleef het gezin én de Joodse onderduikers een dramatisch einde van de oorlog bespaard. 
Mijn gekleurde oorlogsbeeld van 1940 -1945 paste feitelijk helemaal in de film over de Soldaat van Oranje (1977) van Paul Verhoeven. De film die is gebaseerd op het autobiografische boek Het hol van de Ratelslang van verzetsheld Erik Hazelhoff Roelfzema. Het verhaal van een groep studenten die een onbezorgd leventje in Leiden hebben tot de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Allemaal doen ze hun best om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. De meesten gaan uiteindelijk, met wisselend succes, in het studentenverzet en werken zelfs nauw samen met Koningin Wilhelmina. Het was een soort avontuur en zou zomaar in ons eigen Bergen hebben kunnen plaatshebben.
Tot begin jaren 80, ik speelde als jonge twintiger voetbal in BSC Euratom, het Europese bedrijfsvoetbalteam van mijn vader, en ik mocht mee naar een meerdaags internationaal voetbaltoernooi in München. Naast het voetballen stond er ook een ‘cultureel onderdeel’ op het programma. Vader Chris vond het belangrijk dat mijn en ook zijn kennis over de vaderlandse geschiedenis werd aangevuld met een bezoek aan het kamp Dachau. Het eerste grootschalig opgezette concentratiekamp van de SS in nazi-Duitsland. Het lag ten oosten van Dachau, ongeveer 20 km ten noordwesten van de stad München, de voormalige hoofdstad van de nazibeweging. Dachau was weliswaar als zodanig geen vernietigingskamp, maar wel werden in Dachau meer politieke gevangenen vermoord dan in welk ander kamp ook. 
Mijn bezoek aan het Dachau Herinneringscentrum, op het beruchte terrein, werd een volledige ommekeer in mijn beeldvorming over de Tweede Wereldoorlog. Weg romantiek, weg Soldaat van Oranje-gevoel en weg geromantiseerde en goed bedoelde heldenverhalen van mij ouders en grootouders. In Dachau werd mij voor eens en altijd volstrekt duidelijk hoe belangrijk het is dat wij op 4 mei allen herdenken die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties. En op 5 mei…? JA, dan vieren wij uitbundig onze VRIJHEID. Onze VRIJHEID van godsdienst, onze VRIJHEID van meningsuiting, onze VRIJHEID van de pers en onze VRIJHEID van vereniging en vergadering. Laat niemand, maar dan ook niemand die VRIJHEID ooit nog een keer van ons afnemen.